Sloka 8.9

kaviṁ purāṇam anuśāsitāram, aṇor aṇīyāṁsam anusmared yaḥ
sarvasya dhātāram acintya-rūpam, āditya-varṇaṁ tamasaḥ parastāt

Woord-voor-woord-vertalingen:
kavim — degene die alles weet; purāṇam — de oudste; anuśāsitāram — de bestuurder; aṇoḥ — dan het atoom; aṇīyāṁsam — kleiner; anu–smaret — denkt altijd aan; yaḥ — hij die; sarvasya — van alles; dhātāram — de instandhouder; acintya — onvoorstelbaar; rūpam — wiens gedaante; āditya-varṇam — stralend als de zon; tamasaḥ — aan duisternis; parastāt — transcendentaal.
Vertaling:
Men moet op de Allerhoogste Persoon mediteren als degene die alles weet, die de oudste is en de bestuurder, als degene die kleiner is dan het kleinste en de instandhouder van alles, als degene die alle materiële opvattingen te boven gaat, die onvoorstelbaar is en altijd een persoon. Hij straalt als de zon en is transcendentaal, ontstegen aan deze materiële natuur.
Commentaar:

In dit vers wordt gesproken over het proces van denken aan de Allerhoogste. Het belangrijkste punt is dat Hij niet leeg of onpersoonlijk is. Men kan niet op iets onpersoonlijks of op de leegte mediteren. Dat is heel moeilijk. Maar het proces van denken aan Kṛṣṇa is zeer gemakkelijk en het is dat waarover dit vers spreekt.

Allereerst wordt gezegd dat de Heer een puruṣa is, een persoon; we denken aan de persoon Rāma en de persoon Kṛṣṇa. En of iemand nu aan Rāma of aan Kṛṣṇa denkt, de kwaliteiten van deze persoon worden in dit vers van de Bhagavad-gītā beschreven. De Heer is kavi, wat betekent dat Hij verleden, heden en toekomst kent en daarom alwetend is. Hij is de oudste persoonlijkheid, omdat Hij de oorsprong is van alles; alles komt voort uit Hem. Hij is ook de allerhoogste bestuurder van het universum en de instandhouder en leraar van de mensheid. Hij is kleiner dan het kleinste. Het levend wezen is zo klein als het tienduizendste deel van de punt van een haar, maar de Heer is zo onvoorstelbaar klein dat Hij binnengaat in het hart van dat deeltje. Daarom wordt Hij kleiner dan het kleinste genoemd. Omdat Hij de Allerhoogste is, kan Hij in ieder atoom en in het hart van het kleinste binnengaan en het als de Superziel besturen. Maar ook al is Hij zo klein, toch is Hij alomtegenwoordig en houdt Hij alles in stand. Alle planetenstelsels worden door Hem instandgehouden.

We vragen ons vaak af hoe deze reusachtige planeten in de lucht zweven. In dit vers wordt gesteld dat de Allerhoogste Heer door Zijn onvoorstelbare energie alle grote planeten en sterrenstelsels gaande houdt. Het woord ‘acintya’ (‘onvoorstelbaar’) is in dit verband belangrijk. Gods energie is iets wat ons voorstellingsvermogen en de grenzen van ons denken te boven gaat en wordt daarom onvoorstelbaar (acintya) genoemd. Wie kan dit tegenspreken? Hij doordringt de materiële wereld en is er tegelijkertijd aan ontstegen. Hoe kunnen we begrijpen wat er zich voorbij de materiële wereld bevindt als we niet eens de materiële wereld kunnen begrijpen, die onbeduidend is in vergelijking met de spirituele wereld? Acintya verwijst naar datgene wat zich voorbij de materiële wereld bevindt, dat wat ons redeneervermogen, onze logica en filosofische speculatie niet kunnen bevatten, dat wat onvoorstelbaar is. Intelligente personen zouden zulke nutteloze redenaties en speculaties moeten vermijden en zouden moeten aanvaarden wat in teksten als de Veda’s, de Bhagavad-gītā en het Śrīmad-Bhāgavatam geschreven staat en zouden de principes die daarin worden vastgesteld moeten volgen. Dat zal iemand tot inzicht brengen.

sloka 8.8                                                                                         sloka 8.10