Sloka 11.2

bhavāpyayau hi bhūtānāṁ, śrutau vistaraśo mayā
tvattaḥ kamala-patrākṣa, māhātmyam api cāvyayam

Woord-voor-woord-vertalingen:
bhava — verschijning; apyayau — verdwijning; hi — zeker; bhūtānām — van alle levende wezens; śrutau — zijn gehoord; vistaraśaḥ — in detail; mayā — door mij; tvattaḥ — van Jou; kamala-patra-akṣa — o lotus-ogige; māhātmyam — roem; api — ook; ca — en; avyayam — onvergankelijke.
Vertaling:
O lotus-ogige, ik heb uitvoerig van Je gehoord over het verschijnen en verdwijnen van alle levende wezens en ik ben me bewust geworden van Je onvergankelijke glorie.
Commentaar:

Uit vreugde spreekt Arjuna Heer Kṛṣṇa hier aan met ‘lotus-ogige’ (de ogen van Kṛṣṇa lijken op de bloembladen van een lotusbloem), want in een vorig hoofdstuk verzekerde Kṛṣṇa hem het volgende: ahaṁ kṛtsnasya jagataḥ prabhavaḥ pralayas tathā — ‘Ik ben de oorzaak van het verschijnen en verdwijnen van deze hele materiële manifestatie.’ Arjuna heeft hierover uitvoerig van de Heer gehoord. Arjuna is zich er verder van bewust dat hoewel Kṛṣṇa de oorzaak is van alles wat verschijnt en verdwijnt, Hij er afzijdig van blijft. Zijn persoonlijkheid gaat niet verloren. Zo heeft de Heer in het negende hoofdstuk gezegd dat Hij alomtegenwoordig is; toch is Hij niet overal persoonlijk aanwezig. Dat is de onvoorstelbare volheid van Kṛṣṇa, en Arjuna geeft aan die grondig te
hebben begrepen.

sloka 11.1                                                                                                         sloka 11.3