Sloka 13.18

jyotiṣām api taj jyotis, tamasaḥ param ucyate
jñānaṁ jñeyaṁ jñāna-gamyaṁ, hṛdi sarvasya viṣṭhitam

Woord-voor-woord-vertalingen:
jyotiṣām — in alle lichtgevende voorwerpen; api — en; tat — dat; jyotiḥ — de bron van licht; tamasaḥ — de duisternis; param — ontstegen aan; ucyate — wordt gezegd; jñānam — kennis; jñeyam — moet begrepen worden; jñāna-gamyam — die door kennis benaderd moet worden; hṛdi — in het hart; sarvasya — van iedereen; viṣṭhitam — gevestigd.
Vertaling:
Hij is de bron van licht in alle lichtgevende voorwerpen. Hij is ontstegen aan de duisternis van de materie en is onzichtbaar. Hij is kennis, het kenbare en het doel van kennis. Hij bevindt Zich in het hart van iedereen.
Commentaar:

De Superziel, de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods, is de bron van licht in alle lichtgevende objecten, zoals de zon, maan en sterren. In de Vedische literatuur zien we dat er in het spirituele koninkrijk geen behoefte is aan een zon of een maan, omdat de gloed van de Allerhoogste Heer daar aanwezig is. In de materiële wereld is die brahmajyoti, de spirituele gloed van de Heer, bedekt door het mahat-tattva, de materiële elementen; voor licht in de materiële wereld hebben we daarom hulp nodig van de zon, de maan, elektriciteit enz. Maar in de spirituele wereld is er geen behoefte aan zulke dingen. In de Vedische literatuur wordt duidelijk gezegd dat alles er door Zijn lichtgloed verlicht wordt. Het is daarom duidelijk dat Hij Zich niet in de materiële wereld bevindt. Hij bevindt Zich in de spirituele wereld, ver, ver weg in de spirituele hemel. Dat wordt in de Vedische literatuur bevestigd. Āditya-varṇaṁ tamasaḥ parastāt (Śvetāśvatara Upaniṣad 3.8). Hij is te vergelijken met de zon, die eeuwig licht geeft, maar Hij is ver, ver verheven boven de duisternis van de materiële wereld.

Zijn kennis is transcendentaal. De Vedische literatuur verklaart dat Brahman geconcentreerde transcendentale kennis is. Wie ernaar verlangt naar die spirituele wereld overgebracht te worden, krijgt kennis van de Allerhoogste Heer, die in ieders hart aanwezig is. Er bestaat een Vedische mantra (Śvetāśvatara Upaniṣad 6.18) waarin staat: taṁ ha devam ātma-buddhi-prakāśaṁ mumukṣur vai śaraṇam ahaṁ prapadye. Als men werkelijk bevrijding wil, moet men zich overgeven aan de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods. Over het doel van de hoogste kennis zegt de Vedische literatuur: tam eva viditvāti mṛtyum eti ‘Alleen door Hem te kennen kan iemand de grens van geboorte en dood overschrijden.’ (Śvetāśvatara Upaniṣad 3.8)

De Heer is in ieders hart aanwezig als de allerhoogste bestuurder. De Allerhoogste heeft overal benen en handen, wat niet gezegd kan worden van de individuele ziel. We moeten daarom erkennen dat er twee kenners van het veld van activiteit zijn, namelijk de individuele ziel en de Superziel. Onze handen en benen bevinden zich op īīn plaats, maar de handen en benen van Kṛṣṇa bevinden zich overal. In de Śvetāśvatara Upaniṣad (3.17) staat: sarvasya prabhum īśānaṁ sarvasya śaraṇaṁ bṛhat, wat betekent dat de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods, de Superziel, de prabhu of meester van alle levende wezens is en dat Hij daarom hun uiteindelijke toevlucht is. Het kan dus niet ontkend worden dat de Superziel en de individuele ziel altijd van elkaar verschillen.

sloka 13.17                                                                                    sloka 13.19