Sloka 2.2

 

śrī-bhagavān uvāca
kutas tvā kaśmalam idaṁ, viṣame samupasthitam
anārya-juṣṭam asvargyam, akīrti-karam arjuna

Woord-voor-woord-vertalingen: 
śrī-bhagavān uvāca — de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods zei; kutaḥ — waarvandaan; tvā — tot jou; kaśmalam — onzuiverheid; idam — dit getreur; viṣame — op dit kritieke moment; samupasthitam — gekomen; anārya — mensen die de waarde van het leven niet kennen; juṣṭam — beoefend door; asvargyam — wat niet tot hogere planeten leidt; akīrti — schande; karam — de oorzaak van; arjuna — o Arjuna.
Vertaling: 
De Allerhoogste Persoonlijkheid Gods zei: Mijn beste Arjuna, waar komen deze onzuiverheden vandaan? Ze passen helemaal niet bij iemand die de waarde van het leven kent. Ze leiden niet tot hogere planeten, maar tot schande.
Commentaar: 

Kṛṣṇa en de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods zijn een en dezelfde. Heer Kṛṣṇa wordt daarom overal in de Gītā aangeduid met ‘Bhagavān’. Bhagavān is het allerhoogste in de Absolute Waarheid. De Absolute Waarheid wordt in drie fasen van inzicht gerealiseerd: als Brahman of de onpersoonlijke, aldoordringende spirituele energie; als Paramātmā of dat aspect van de Allerhoogste dat gelokaliseerd is in het hart van alle levende wezens, en Bhagavān of de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods, Heer Kṛṣṇa. In het Śrīmad-Bhāgavatam (1.2.11) wordt dit begrip van de Absolute Waarheid als volgt uitgelegd:

vadanti tat tattva-vidas, tattvaṁ yaj jñānam advayam
brahmeti paramātmeti, bhagavān iti śabdyate

‘De Absolute Waarheid wordt in drie fasen van inzicht gerealiseerd door degene die de Absolute Waarheid kent, en ze zijn alle drie gelijk aan elkaar. Deze fasen van inzicht worden aangeduid met Brahman, Paramātmā en Bhagavān.’

Deze drie goddelijke aspecten kunnen worden verduidelijkt door het voorbeeld van de zon, die ook drie verschillende aspecten heeft: de zonneschijn, het zonneoppervlak en de zonneplaneet zelf. Wie alleen maar de zonneschijn bestudeert, is een student die zich nog voorbereidt. Wie het zonneoppervlak begrijpt, is verder gevorderd en wie door kan dringen tot de zonneplaneet is het verst gevorderd. Gewone studenten die al tevreden zijn met begrip van de zonneschijn — de verblindende gloed van haar onpersoonlijke natuur en hoe zij aldoordringend is in het universum — kunnen vergeleken worden met hen die zich alleen maar bewust kunnen worden van het Brahman-aspect van de Absolute Waarheid. De student die verder gevorderd is, begrijpt de zonneschijf, die vergeleken wordt met het kennen van het Paramātmā-aspect van de Absolute Waarheid. En de student die kan doordringen tot de kern van de zonneplaneet, wordt vergeleken met hen die zich de persoonlijke kenmerken van de Allerhoogste Absolute Waarheid hebben gerealiseerd. De bhakta’s of transcendentalisten die zich het Bhagavān-aspect van de Absolute Waarheid gerealiseerd hebben, zijn daarom de allerhoogste transcendentalisten, ook al bestuderen alle studenten in de Absolute Waarheid hetzelfde onderwerp. De zonneschijn, de zonneschijf en de processen die plaatsvinden in de planeet zelf kunnen niet van elkaar gescheiden worden, maar ondanks dat bevinden de studenten van de drie verschillende fasen zich niet in dezelfde categorie.

Het sanskrietwoord ‘bhagavān’ wordt uitgelegd door Parāśara Muni, de grote autoriteit en vader van Vyāsadeva. De Allerhoogste Persoonlijkheid die alle rijkdom, alle kracht, alle roem, alle schoonheid, alle kennis en alle onthechting bezit, wordt Bhagavān genoemd. Er zijn veel personen die heel rijk, heel krachtig, heel mooi, heel beroemd, heel geleerd en heel onthecht zijn, maar geen van hen kan volhouden volledig in het bezit te zijn van alle rijkdom, alle kracht enz. Alleen Kṛṣṇa kan dit beweren, omdat Hij de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods is. Geen enkel levend wezen, inclusief Brahmā, Heer Śiva en Nārāyaṇa, kan deze volheden net zo volledig in zijn bezit hebben als Kṛṣṇa. Daarom komt heer Brahmā zelf in zijn Brahma-saṁhitā tot de conclusie dat Heer Kṛṣṇa de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods is. Niemand is Zijn gelijke en niemand staat boven Hem. Hij is de oorspronkelijke Heer of Bhagavān, die bekendstaat als Govinda en die de oorzaak van alle oorzaken is:

īśvaraḥ paramaḥ kṛṣṇaḥ, sac-cid-ānanda-vigrahaḥ
anādir ādir govindaḥ, sarva-kāraṇa-kāraṇam

‘Er zijn veel persoonlijkheden die de kwaliteiten van Bhagavān bezitten, maar Kṛṣṇa is de Allerhoogste, want niemand kan Hem overtreffen. Hij is de Allerhoogste Persoon en Zijn lichaam is eeuwig, vol kennis en geluk. Hij is de oorspronkelijke Heer Govinda en de oorzaak van alle oorzaken.’ (Brahma-saṁhitā 5.1)

Ook in het Bhāgavatam wordt een opsomming gegeven van vele incarnaties van de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods. Maar Kṛṣṇa wordt beschreven als de oorspronkelijke Persoonlijkheid Gods en uit Hem expanderen vele, vele incarnaties en Persoonlijkheden Gods:

ete cāṁśa-kalāḥ puṁsaḥ, kṛṣṇas tu bhagavān svayam
indrāri-vyākulaṁ lokaṁ, mṛḍayanti yuge yuge

‘Alle incarnaties van God waar hier naar verwezen wordt, zijn of volkomen expansies of delen van volkomen expansies van de Allerhoogste God — maar Kṛṣṇa is de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods Zelf.’ (Bhāg. 1.3.28)

Kṛṣṇa is dus de oorspronkelijke Allerhoogste Persoonlijkheid Gods, de Absolute Waarheid, de oorsprong van zowel de Superziel als het onpersoonlijk Brahman.

In de aanwezigheid van de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods is het geweeklaag van Arjuna om zijn verwanten zeker ongepast en Kṛṣṇa maakte Zijn verbazing daarom kenbaar met het woord ‘kutaḥ’, ‘vanwaar’. Van een persoon die tot de beschaafde klasse van mensen, de Ārya’s, behoort, werden zulke onzuiverheden nooit verwacht. Het woord ‘ārya’ heeft betrekking op personen die de waarde van het leven kennen en die een samenleving hebben die gebaseerd is op spirituele bewustwording. Personen die zich laten leiden door een materialistische levensopvatting weten niet dat zich bewustworden van de Absolute Waarheid, Viṣṇu of Bhagavān het doel van het leven is; ze zijn te gefascineerd door de externe eigenschappen van de materiële natuur en weten daarom niet wat bevrijding is. Personen die geen kennis hebben over bevrijding van materiële gebondenheid worden niet-Ārya’s genoemd. Hoewel Arjuna een kṣatriya was, week hij, door de strijd te weigeren, af van zijn voorgeschreven plichten. Deze daad van lafheid wordt beschreven als passend bij niet-Ārya’s. Zulke plichtsverzaking zal niemand helpen om vooruitgang te maken in het spirituele leven; het is evenmin mogelijk om op die manier beroemd te worden in deze wereld. Heer Kṛṣṇa keurde het zogenaamde mededogen dat Arjuna voor zijn familie had daarom ook af.

                                                            

Save